|
In het ‘Tuba Mirum’ zou men eigenlijk een donderende passage van de diepe koperblazers verwachten. Maar ik heb het veeleer als een lyrisch gebed geïnterpreteerd. Een bidden van de lijdenden, om de zondenaren voor de Rechter te roepen om rekenschap af te leggen.
Na een rustig voorgedragen ‘Liber Scriptus’ verschijnt een toornige reprise van de opening.
‘Quid sum miser tunc dicturus? Quem patronum rogaturus, cum vix justus sit securus?’ (‘Wat moet ik arme nog spreken? Welke bemiddelaar zou ik moeten aanroepen, nu zelfs de Gerechte beeft?’) Deze uiting van twijfel en moedeloosheid door de Alt wordt door een smekende kreet van het koor met het ‘Rex tremendae’ beantwoord.
Het ‘Recordare Jesu pie’ is wederom een gebed. Een zucht met een bezwaard hart, een smeekbede aan de Heer, om niet te hoeven bezwijken. Of tenminste een hoop - in het volle bewustzijn van nederigheid - om de pijnen en ontberingen te kunnen dragen.
Na het doffe grommen van de toornige Heer volgt in het ‘Confutatis maledictis’ opnieuw een kreet van woede en smekend geklaag door het koor, wat uitmondt in een hernieuwde reprise van de opening.
Tenslotte wordt er in het ‘Lacrymosa dies illa’ voor gebeden, dat de wereld zich rouwig voor de Rechter zal buigen, dat de Heer zijn zondenaren zal vergeven en de wereld zalige rust zal schenken.
Het bijna aarzelende ‘Amen’ aan het einde doet vermoeden dat de arme zielen eigenlijk niet meer wisten, waarvoor zij de Heer eigenlijk nog zouden moeten danken. Voor het ellendige stuk dagelijks brood? Voor het jammerlijke overleven van nog eens een pijnlijke dag? Of voor het naderen van de uiteindelijke verlossing van de ontberingen?
|